Detail

001 Ambtsbestuur, mairie Barneveld, mairie Garderen, mairie Voorthuizen , 1625 - 1818

Bestandsnummer001
Datering1625-1818
Trefwoorden organisatiesGemeente Barneveld
Originelen in beheer bijGemeentearchief Barneveld

  •  Inleiding - Grondgebied
    • Ten tijde van de republiek der Verenigde Nederlanden was Gelderland verdeeld in drie Kwartieren.

      Het Kwartier van Veluwe omvatte vijf steden, het Landdrostambt van Veluwe met tien schoutambten, waaronder Barneveld, het rich­terambt van Veluwezoom, de vier kleine ambten en de vrije heer­lijkheden Doorwerth en Rosendaal.

      Het schoutambt Barneveld omvatte de volgende kerspelen: Barneveld met de buurschappen De Glind (of Glinde) en Wessel; Elspeet met de buurschappen Uddel en Vierhouten; Garderen met de buurschappen Essen, Garderbroek, Meerveld, Milligen, Oudorp, Stroe en Vossen; Kootwijk met de buurschap  Kootwijkerbroek en tenslotte Voorthuizen met de buurschappen Terschuur en Zwartebroek.

      Oorspronkelijk was niet Barneveld maar Garderen het bestuurscen­trum. In de loop van de veertiende eeuw was Barneveld echter dui­delijk in belangrijkheid gegroeid. Eerst ging de schout in het dorp Barneveld wonen, daarna werden de rechtzittingen - die vanouds in Garderen en Voorthuizen op het kerkhof werden gehouden ­verplaatst naar Barneveld.

      De ouderdom van het dorp Barneveld is moeilijk aan te geven. Als kerspel komt Barneveld voor het eerst voor in 1333/34[1], als ge­richt eerst in 1432 en na 1448 als zodanig onafgebroken[2] en als ambt pas in het midden van de vijftiende eeuw. Het grondgebied van het ambt is enige malen gewijzigd. In 1750 werd bij de definitieve vaststelling van de oppervlakte van de heerlijkheid "Het Loo" een klein gedeelte van het ambt bij de heer­lijkheid gevoegd, te weten: een gedeelte van Uddel en Meerveld, Ou­dorp en Milligen. Een door het ambtsbestuur van Barneveld in 1803 ondernomen actie om dit gebied weer aan Barneveld toe te voegen, had een negatief resultaat[3] . Ingaande 16 april 1798 (bij publicatie van de Gecommiteerden uit het Intermediair administratief bestuur van het voormalige gewest Gelderland van die datum) werden het ambt Ede en de voormalige heerlijkheid Scherpenzeel bij het ambt Barneveld gevoegd, welke toestand heeft bestaan tot februari 1799, toen deze gebieden weer een eigen bestuur kregen (bij resolutie van het Intermediair ad­ministratief bestuur van 31 januari 1799).

      Kort na de inlijving bij Frankrijk werd bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 een verdeling in mairieën tot stand gebracht, waar­bij, ingaande 1 januari 1812, Barneveld werd verdeeld in de mairie­ en (en later in de gemeenten) Barneveld, Voorthuizen en Garderen.

      Deze indeling bleef bestaan tot 1 januari 1818, toen ingevolge het Reglement voor het platteland van de Provincie Gelderland (Ko­ninklijk Besluit van 19 december 1816, gewijzigd bij Koninklijk Be­sluit van 11 februari 1817) de drie gemeenten werden verenigd tot het schoutambt Barneveld.

      Bij hetzelfde Koninklijke Besluit van 11 februari 1817 werd Elspeet ingedeeld bij de gemeente Ermelo.






      [1] Hertogelijk Archief. Domeinrekening van de Veluwe 1353/34, voorl. inv.nr. 372, RA Gelderland.

       

      [2] Archief Klaarbank van Engelanderholt. RA Gelderland.

       

      [3] Zie inv.nr. 8, blz. 9.

       

  •  Inleiding - Wapen
    • Het tegenwoordige gemeentewapen dateert - behoudens een aanvul­ling uit 1861 - uit 1795[1]. In dat jaar werd door het toenmali­ge ambtsbestuur een commissie ingesteld met als doel een wapen te ontwerpen, wat ondermeer "tot een zegel voor 't ambt zou kun­nen strekken". In hetzelfde jaar werd reeds rapport uitgebracht. Een voorlopig ontwerp van het wapen was hieraan toegevoegd. Als toelichting diende het volgende: "…dat hun geen beter afbeeldsel is voorgekomen om te kunnen dienen voor een ambtszegel, dan dat men door eene bekwame hand dede graveeren, een zoogenaamde pop waaruit een Capel ten deele reeds is voortkomende, waarvan egter nog een gedeelte van de pop bestaat, verbeeldende alzo de Constitutie zo als dezelve nog ten deele bestaat, maar egter reeds een aanmerkelijke verandering heeft on­dergaan, welke oude Constitutie van tijd tot tijd meer staat aftenemen, en in een geheel nieuw ligchaam staat over te gaan; dat men al verder een zon daar boven dien­ de te plaatsen om daardoor de verligting aftebeelden"[2].

      Volgens oud-burgemeester mr. C.A. Nairac voerde het ambt Barne­veld in 1717 een ander wapen, te weten een groen tabaksblad in een zilverveld[3].


































      [1] Bij raadsbesluit van 14 augustus 1861, nr. 529, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 25 oktober 1861, werd het wapen van de familie Van Zuylen van Nievelt, uit dankbaarheid voor de vele goede werken in Barneveld verricht, aan het gemeentewapen toegevoegd.

       

      [2] Zie inv. nr. 7

      [3] Nairac, C.A., Barneveld onder de regering der Amptsjonkers, 1648-1795. Barneveld, 1871, blz. 44

  •  Inleiding - Bestuur
    • Het bestuur van het ambt Barneveld berustte bij een college van ambtsjonkers. Zij oefenden hun taak uit onder toezicht van de Gedeputeerden van de Staten van het Kwartier van Veluwe.

      De vereisten om tot ambtsjonker te worden toegelaten waren de volgende:

      1. afstamming van ouders, vóór 1500 als edelen erkend;

      2. bezit van vast goed ter waarde van f.18.000,- of 25 morgen goed bouwland in het ambt, zo gelegen dat het door één pachter bebouwd kon worden;

      3. een leeftijd van 20 jaar of ouder;

      4. vaste woonplaats binnen het ambt;

      5. het belijden van de ware Christelijke Gereformeerde religie en

      6. het bewijs dat men niet geadmitteerd was in een ander Kwar­tier of in de ridderschap van een andere provincie[1].

       

      De belangrijkste taken der ambtsjonkers bestonden uit het voeren van de administratie van ambt en kerk en het zittingnemen in de gerichtsbank van het Landdrostambt van Veluwe dat minstens éénmaal per jaar in de hoofdplaatsen van elk der schoutambten zitting hield.

      Verder waren zij belast met het afhoren der kerkrekeningen, het aanstellen van ambtenaren en schoolmeesters, de zorg voor het onderhoud van de wegen en de uitvoering van de bevelen van de Landdrost van Veluwe met betrekking tot de besluiten van de Landdag en met de uitvoering van de bevelen van de Gedeputeerden van het Kwartier ten aanzien van de kwartiersbesluiten.

      De volgende ambtenaren stonden de ambtsjonkers terzijde: de schout, twee of drie onderschouten, de schrijver of scriba, de substituut-ontvanger, één of meer dienders, dertien zetters en zestien booijers.

      De schout werd voor drie jaar benoemd door de Staten van Gelderland. Zijn eedsaflegging vond ten overstaan Van het Hof plaats. Zijn inkomen in de 17de eeuw bestond uit f.200,- per jaar, alsmede uit daggelden voor het houden van toezicht op wegen, straten en bruggen en voor het bijwonen van executies. In 1719 werd zijn traktement tot f.250,- per jaar verhoogd, waarbij de schout geen afzonderlijke daggelden meer genoot.

      In het einde van de 15de eeuw was het schoutambt in pandschap verkregen door Hendrik van Domseler. De halve pandsom gaf hij als huwelijksmedegave aan een dochter bij haar huwelijk met Jan Mom. Sedertdien kende het ambt Barneveld twee schouten, die gezamenlijk het schoutambt bekleedden, met dien verstande, dat de één in de dorpen Barneveld, Kootwijk en Elspeet, en de ander in Voorthuizen en Garderen schout was. Na enige jaren wisselden zij van gebied. Aan deze tweedeling kwam eerst in 1661 een einde[2] .

      De schout werd terzijde gestaan door twee, later drie onderschouten. Deze werden aangesteld door de ambtsjonkers en genoten alleen een daggeld voor de door hen te verrichten werkzaamheden, alsmede vrij bier.

      Voor het handhaven der openbare orde had de schout de beschikking over één, later twee dienders. De eerste, voor zover ons bekend, werd aangesteld bij resolutie van 20 augustus 1682, de tweede in 1704. Een nachtwaker was al eerder bekend. Voorts behoorde nog de omroeper en sinds 1742 een jachtoppasser tot het personeel van de ambtsjonkers.

      Ten behoeve van hun administratie stelden de ambtsjankers een schrijver of scriba aan, voor een termijn van drie jaar. Hij moest een belofte van "alle respect en hoogachting" aan de jonkers afleggen. Tevens werd in zijn instruktie bepaald, dat hij geen documenten mocht verplaatsen of aan wie ook, buiten de ambtsjonkers, ter inzage geven.

      Gedurende een groot aantal jaren werd deze betrekking waargenomen door de schout waarvoor hij dan een toelage van f.150,- per jaar ontving.

      De zetters, belast met het opmaken der belastingkohieren, wer­den gekozen uit de verschillende delen van het ambt. Tenslotte werden de ambtsjonkers in de verschillende buurschap­pen of booijhoeken terzijde gestaan door een aantal booijers. Zij werden door de ambtsjonkers aangesteld. Hun taak bestond uit de uit­voering van lastgevingen van de schout, het rijden van vrachten voor het ambt en het herstellen van wegen. Hun beloning bestond uit een algemene vrijdom van gemeentelijke belastingen.

      De omwenteling van 1795 had ten gevolge dat in plaats van de ambtsjonkers een door de bevolking gekozen ambtsbestuur optrad, overigens met dezelfde bevoegdheden.

      Na de inlijving bij Frankrijk werden bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 een drietal mairieën in het leven geroepen: Barne­veld, Voorthuizen en Garderen. Deze mairieën kenden elk afzon­derlijk een maire en enige adjunct-maires. Een aantal municipaal­raadslieden stond hen terzijde.

      De ontvanger van deze mairieën was in Barneveld, Voorthuizen en Garderen steeds dezelfde persoon.

       










      [1] zie ook:

      Ablaing van Giessenburg, W.J.d', De ridderschap van Veluwe, of Geschiedenis der Veluwsche jonkers enz., 's-Gravenhage, 1859 en

      Spaan, W.A. van, Oordeelkundige inleiding tot de historie van 'Gelderland. Utrecht, 1801 - '05, 4 dln, deel IV, pag. 237.

       

      [2] Reces van het Hof van Gelderland van 27 november 1568, in: Recessenboek van het Hof, 1568 - 1571. zie ook:

      Veen, J.8. van, Regeling dor bediening van het schoutambt Barneveld. in: Bijdragen en mededelingen ver. "Gelre", deel XIII (1910), blz. 259 en 260

  •  Inleiding - Vergaderruimten
    • De ambtsjonkers hielden tussen één en zes vergaderingen per jaar. Meestal kwamen er, buiten de schout, twee of drie jonkers ter vergadering, soms maar één! De vergadering ging ook in het laat­ste geval gewoon door.

      Tot 1660 werden de vergaderingen gehouden in de herberg "de Ros­kam", daarna (wegens de hoge "teerkosten") ten huize van de schout die hiervoor f.20,- per jaar ontving.

      Bij besluit van 31 augustus 1767 huurden de ambtsjonkers van Ger­rit Heijmen en zijn vrouw Jantje Reijersen een gedeelte van hun buis voor het houden van vergaderingen en het bergen van charters en andere papieren.

      In 1781 werd een andere oplossing gevonden. Bij resolutie van 9 september werd besloten om aan het schoolhuis een zgn. "ambtska­mer" te laten bouwen, welke voor de tijd dat deze niet in gebruik was, werd verhuurd aan de kostschoolhouder-schoolmeester-voorzan­ger Johannes Timmerman.

      De municipaliteit vond in 1795 deze ruimte niet meer passend voor het houden van hun vergaderingen. Eerst vergaderde men in een van Willem Hagen gehuurde kamer, daarna op huize "Duinkerken" aan het zgn. Schouteneinde.

      Bij besluit van 24 september 1796 werd van de erfgenamen van Cor­nelis Sonnevelt een huis aan de Langstraat gekocht en een gedeel­te verhuurd aan de al eerder genoemde Willem Hagen, op voorwaarde dat deze de municipaliteit zou bijstaan als bode-conciërge. In 1840 werd een nieuwe behuizing betrokken, eveneens aan de Lang­straat, niet ver van de Nieuwstraat.

      Ook dit pand werd op den duur te klein en in 1856 kwamen de eerste plannen op tafel om een nieuw gemeentehuis en een zgn. passanten­huis te bouwen. In 1857 werden er nieuwe plannen overgelegd, nu voor een gemeentehuis met cipierswoning. Dit plan kon genade vinden in de ogen der raadsleden en na de voorbereidende werkzaam­heden kon Anna Nairac, dochter van burgemeester mr. C.A. Nairac, op 28 april 1860 de eerste steen leggen van het huidige gemeente­huis aan de Nieuwstraat.

      Het oude gemeentehuis werd in 1861 verkocht aan de plaatselijke afdeling van het Departement tot Nut van 't Algemeen. Op 12 oktober 1861 werd de laatste vergadering in het oude gemeentehuis gehouden en op 11 december d.a.v. de eerste in de nieuwe behuizing. Het archief werd op de zolderverdieping on­dergebracht.

      Nadat in 1966 het gemeentehuis werd uitgebreid met een semi­permanente vleugel, kon het oud-archief van de gemeente gedeeltelijk worden ondergebracht in een speciaal daartoe geconstru­eerde archiefruimte, die echter nog niet voldoet aan alle daartoe te stellen eisen.

      De rest van het oud-archief bleef in een aantal vertrekken op de zolderverdieping achter.

  •  Inleiding - Geschiedenis van het archief
    • Met behulp van de resolutieboeken is het mogelijk een gedeelte van de geschiedenis van de administratie en de archiefvorming te reconstrueren. Uit de periode van vóór deze resolutieboeken is weinig bekend. Aangenomen mag worden dat de ambtsjonkers de privé- en semi-ambtelijke archieven thuis bewaarden. Deze familie- en huisarchieven zijn vrijwel zeker niet bewaard gebleven.

      Dat ook de schout een gedeelte van het ambtsarchief onder zich had blijkt ondermeer uit de hieronder te noemen resolutie van 1675.

      Bij resolutie van 13 januari 1672 werd besloten een "schriefboek aan te kopen om er de resoluties in te registreren en verder een "houte kist" om er de charters en de papieren van het ambt in bewaren. Enige jaren later, bij resolutie van 21 augustus 1675, besloten de jonkers dat zij de charters, die tot dan toe thuis bewaard werden, af zouden geven aan de schout. Na registratie in een boek (niet aangetroffen bij de inventarisatie) werden deze door de schout in de "ambtskist" bewaard. Iedere jonker ontving een exemplaar van het register.

      Op 23 maart 1682 werd de volgende resolutie genomen:

       

      "......... wordt den scholtis Johan van Dompseler versogt ende geordonneert tegen onderstaande comparitie te willen opsoeken alle desselfs onderhebbende verbalen van ver­pondinge, redemptie, maentgelderen, neffens de resolutien ende acten bij de Jonckeren genomen ende gepasseert, ende deselve na ordre van datum apart te liasseren om ten allen tijde daarvan gedient te cunnen worden".

       

      In 1701 werd een ambtskast aangekocht voor de protocollen en het register der besluiten. In opnieuw een schrijfboek aangeschaft en wel Harderwijk.

      De publicaties van de ambtsjonkers werden vanouds afgelezen vanaf de kansels in de kerken van het ambt en dan later aangeplakt aan de kerkmuur. In 1710 ontving Carel Theunissen een zeker bedrag wegens het aanbrengen van een nieuw bord aan de kerkmuur om de biljetten op te plakken.

      Tijdens de vergadering van de ambtsjonkers op 14 juni 1740 werd de volgende resolutie genomen:

       

      "Is bij examinatie bevonden dat de charters en papie­ren het Ampt concernerende in het ampscabinet seer confues en door den anderen laagen, soo hebben Haar HWGeb. den scriba en ontvanger des amptslasten deses Ampts geordonneert en geauthoriseert, om alle de papieren in het voornoemde cabinet nae te sien en yder bij het sijne te brengen om daarop bij de naaste ampts­vergaderinghe door Haar H.W.Geb. te worden geresol­veert wat behoorde in een band ingebonden te worden

       

      Toen in 1795 de gekozen municipaliteit het ambt overnam, noteer­de de schrijver:

       

      "Op heden heeft ook de burger J.H. van Zuylen van Nievelt als gewesene ambtsjonker alleen hier thans present, dog mede namens den oudsten gewesenen ambtsjonker O.W. van Haersolte de sleutels overge­geven van het kastje oft buffet van 't ambt bereets sedert eenigen tijd gestaan hebbende in de municipa­liteijtscamer ten huijse van den secretaris, alsmede de sleutels van de grootte ambtskast, al nog staan­de ten huijse van Ds. van Vloten, en heeft den preesee H. van den Broek die genoemde sleutels bij provisie in bewaringe genomen".

       

      De taak tot bewaring van het archief werd daarna met wisselend succes door het gemeentebestuur uitgeoefend. De stukken verhuis­den mee van pand tot pand en het is dus niet onmogelijk dat er tijdens die verhuizingen wel eens wat verdween: "verhuizen kost beddestro" !

  •  Inleiding - Inventarisatie
    • Van enige oude orde, zoals waarschijnlijk in 1682 en later in 1740 aangebracht, is niets meer aangetroffen.

      Op ondergeschikte punten was het mogelijk deze te reconstrueren. Zo werden de series bijlagen bij de rekeningen - oorspronkelijk ge­liasseerd maar door een goedwillende, tijdelijke arbeidskracht na herordening geperforeerd en in dossieromslagen geborgen - aan de hand van de dorsale nummering en de liasgaten in de oorspronke­lijke volgorde teruggebracht.

      In 1878 waren door de toenmalige gemeentebode en dorpshistoricus Hendrik Bouwheer alle losse stukken, afkomstig uit zowel ambts-, als schoutarchief en partikuliere archieven in banden samengebon­den. Deze banden droegen de volgende titels:

       

      School en kosterij Barneveld,               1650 – 1814;

      Schoutzaken Barneveld,                       1593 – 1803;

      Kerkelijke zaken Barneveld,                  1570 – 1800;

      Kerkeboek Barneveld,                          1654 – 1834;

      Thijns en grafregister;

      Kerk, school en kosterij Garderen,        1659 – 1814;

      Kerk, school en kosterij Kootwijk,         1725 – 1799;    

      Kerk, school en kosterij Voorthuizen,    1606 – 1814.

       

      De samenstelling was echter bijzonder willekeurig. Zo werden bij­voorbeeld in de band "Schoutzaken" niet alleen stukken onderge­bracht die tot het archief van de schout behoorden, maar duidelijk ook andere stukken, ondermeer afkomstig uit het particuliere ar­chief van de familie Van Domseler. Als motief tot de samenvoeging van al deze stukken gold duidelijk het (sleutel)woord "schout". Helaas heeft Bouwheer niet de herkomst van de stukken aangegeven. Daar hij tevens optrad als "archivaris" van de Hervormde gemeente te Barneveld, is het niet onmogelijk dat stukken uit kerkelijke archieven in bovenvermelde banden zijn terechtgekomen.

      Omwille van een doelmatige inventarisatie was het daarom noodza­kelijk deze banden uit elkaar te laten halen. In het archief is een scheiding aangebracht tussen oud- en nieuw archief. Als grens van het oud-archief werd de datum 1 januari 1818 gekozen aangezien door de al eerder genoemde invoering van het Reglement voor het platteland van de Provincie Gelderland op die datum de gemeenten Barneveld, Garderen en Voorthuizen weer verenigd werden tot het schoutambt Barneveld.

       

      Het oud-archief werd gesplitst in vier gedeelten. Het ambtsar­chief tot 1812 en de archieven van Barneveld, Garderen en Voort­huizen van 1812 tot 1818.

      Bij de inventarisatie werden eerst de taken van de ambtsjonkers            nagegaan teneinde een aanvaardbare onderverdeling mogelijk te maken. Aangezien bijvoorbeeld de ambtsjonkers belast waren met het toezicht op de kerken en daardoor met het afhoren der kerkrekeningen, zijn deze rekeningen met de bijlagen in het ambtsarchief aanwezig.

      Enkele stukken zijn buiten de inventaris gehouden aangezien het sterke vermoeden bestaat dat deze behoren tot kerkelijke archie­ven en eerst in de loop van de 19de eeuw door oud-burgemeester mr. C.A. Nairac en H. Bouwheer zijn verworven. Te zijner tijd zal bij inventarisatie van deze kerkelijke archieven nagegaan moeten worden of deze stukken hieruit inderdaad afkomstig zijn.

       

      Ambtsjonkers

      Berend Hackfort                                              1598 –

      Floris Hackfort                                                 1598, 1600

      Gerrit Hackfort                                                 1610

      Johan Hackfort                                                1610

      Lambert Bentinck                                             1626 – 1643

      Willem van Raesfelt                                         1639 – 1686

      Hadriaan Schimmelpenninck van der Oye          1647 – 1686

      Willem Bentinck                                                           1649 – 1672

      Johan van Wijnbergen                                      1651 – 1672

      Gerlach van Essen                                           1655 – 1691

      Coenraad van Wijnbergen                                 1672 – 1709

      Steven van Delen                                             1688 – 1716

      Hendrik van Broeckhuijsen                               1688 – 1736

      Lambert Jan Berend Bentinck                           1688 – 1735

      Johan Willem van Ghent                                   1697

      Johan Van Wijnbergen                                     1710 – 1737

      Hendrik Jan van Essen                                    1710 – 1753

      Coenraad Jan van Zuylen van Nievelt                1736 – 1767

      Willem Jan van Dedem                                     1749 – 1752

      Coenraad Willem van Haersolte                                    1750 – 1795

      Coenraad Jan van Renesse                              1753 – 1781

      Carel van Essen                                               1754 – 1756

      Lucas Willem van Essen                                   1760 – 1791

      Jasper Hendrik van Zuylen van Nievelt              1774 – 1795

       

      Schrijvers

      Wijnant van Gheijn                                           xxxx – 1664

      Dirk van Gheijn                                                1664 – 1667

      Johan van Domseler                                        1667 – 1705

      Dirk van Domseler                                           1705 – 1722

      Steven Coenjes                                                           1722 – 1731

      Engelbert Georg Ardesch                                 1731 – 1739

      Johan Walburg                                                1740 – 1753

      Johan Beek                                                     1753 – 1767

      Paulus Kok                                                      1767 – 1780

      Cornelis Sonnevelt                                           1780 – 1794

      Wolferdus Bernardus Blanken                           1795 – 1798

      Willem van Bommel                                         1798 – 1802

      Izaak Johannes Elzevier                                   1802 – 1811

       

      Ontvangers

      Lambert Bentinck                                             xxxx – 1648

      Willem Bentinck (substituut)                              1649 – 16..

      Willem van Raesfelt                                         16..   – 1676

      Johan van Domselaar (substituut)                     1676 – 1704

      Steven Coenjes (substituut)                              1705 – 1731

      Jan Carel Luchtigh (substituut)                          1731 – 1762

      Abel Luchtigh (substituut)                                 1762 – 1767

      Hessel Romeijn (substituut)                              1767 – 1797

      Cornelis Schut                                                 1797 – 1807

      Izaak Johannes Elzevier                                   1807 – 1811

       

  • Hele toegang (001 Ambtsbestuur, mairie Barneveld, mairie Garderen, mairie Voorthuizen)