Detail

220 Hervormde Taborgemeente te Ede, 1948-2009

Bestandsnummer220
Originelen in beheer bijGemeentearchief Ede

  •  Onstaansgeschiedenis van de gemeente
    •  Een gemeente met zes namen
      • De historie van de Taborgemeente te Ede is in veel opzichten gelijk aan die van andere kerkelijke gemeenten. In de achter ons liggende 66 jaren werden kerkdiensten gehouden, er werd gedoopt en avondmaal gevierd, mensen legden geloofsbelijdenis af, er werd samen gezongen en gebeden. Er werd soms ook ruzie gemaakt. Alles heel gewoon.
        Het begin van haar bestaan was echter niet gewoon! Het blijkt al uit de vele namen, die deze kerkgemeenschap heeft ontvangen om haar status aan te duiden.
        Ze is: - in 1948 begonnen als vereniging, geheel overeenkomstig de burgerlijke  wet
        ,
                    in 1957 kerkelijk wat op  weg geholpen, als een zogenaamde 'noodgemeente',
                    in 1965 bevorderd tot buitengewone wijkgemeente in wording,
                    in 1985 werd haar kerkelijke status die van hervormde deelgemeente,
                    momenteel voert zij de naam van Protestantse Gemeente.
        In deze vijf namen komt heel de historie van de Tabor-gemeenschap aan ons voorbij. Een ontwikkeling in vijf fasen. Het kan verwarrend zijn voor een onderzoeker. Daarom willen we in deze Inleiding vooral aandacht schenken aan de ingewikkelde ontstaansgeschiedenis en enige uitleg geven aan de bovengenoemde namen en begrippen.
        Tenslotte komt nog een zesde naam aan de orde: TABOR. Wat betekent deze naam? Waarom toch heeft mn in het verleden deze naam gekozen voor kerkgebouw en kerkgemeenschap?
    •  Achtergrond
      • De Hervormde Gemeente te Ede maakte in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw moeilijke tijden mee. Niet alleen de economische crisis en de Tweede Wereldoorlog gaven de mensen zorg en verdriet, maar ook in de kerk was het ver van ideaal. De gemeente behoorde tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond, de rechtervleugel van de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk.
        Er was echter ook een minderheid van kerkleden - voornamelijk afkomstig uit andere delen van ons - die zich meer verwant voelden aan gedachtegoed en geloofsbeleving van de Confessionele Vereniging, en iets 'lichtere' soort hervormden. Ze ervoeren de kerkdiensten in Ede geheel anders dan in hun vorige woonplaats. Een deel van hen bleef op zondag teleurgesteld thuis, terwijl anderen graag geziene gasten werden in het kerkgebouw van de Evangelsich_Luthersen.
        Er was nog een derde groep met zorgen over het kerkelijk leven. Zij bleven trouw hun plaats innemen de Hervormde Gemeente, maar trachtten door in gesprek te gaan de kerkenraad tot een ander beleid te doen komen. Ze richtten daartoe in 1945 zelfs een vereniging op. Kerkelijk leven genaamd, met een eigen maandblad. Gedurende drie jaar heeft het bestuur van deze vereniging de kerkenraad contact gezocht en dringend gevraagd om als derde predikant een confessionele dienaar van het Woord te beroepen. Mocht dit financieel niet haalbaar zijn, zo pleitten zij, wilt u dan van tijd tot tijd iemand van deze modaliteit uitnodigen om een kerkdienst te leiden. Een tweede wens was: in de eredienst niet alleen Psalmen zingen, maar laat er ook ruimte zijn voor liederen uit een gezangenbundel.
        Het doel van deze vereniging van lidmaten van 23 jaar en ouder was volgens de statuten 'het helpen behartigen van de stoffelijke en geestelijke belangen van de gemeente'.
        Het woord 'helpen' wijst er op, dat men niet alleen kritiek wilde leveren, maar deze gemeenteleden boden positief hun inbreng aan voor kerkenwerk en toerusting van de gemeente. Als eerste activiteit wordt evangelisatie genoemd. Eén ding wilde Kerkelijke Leven beslist niet. De statuten bepaalden duidelijk in artikel 2, lid e, dat de Vereniging 'desgewenscht' lezingen, cursussen en samenkomsten mocht organiseren, 'die echter niet het karakter van een Godsdienstoefening zullen hebben'. Deze ene bijzin (tien woorden door mij cursief afgedrukt TvtV) vormde de ruggengraat van de vereniging. Geen eigen kerkdiensten en gemeentevorming buiten de kerkenraad om. Men wilde voluit kérkelijk handelen, overeenkomstig de regels van de kerkorde.
        De missie van deze welmenende groep gemeenteleden is mislukt. De kerkenraad meende op principiële gronden op geen van de aangedragen wensen te mogen ingaan. En toen werd Kerkelijk Leven ingehaald door de tijd! Ingehaald door een Vereniging die geen soortgelijk artikel 2, lid e, in haar statuten had staan.

        We doen de leden van de kerkenraad geen recht door hun neen-zeggen als alleen maar conservatisme te beschouwen. De meesten van hen hebben het ervaren als een gewetenszaak, omdat hun inzicht de waarheidsvraag in het geding was. Men is vooral beducht voor een toekomstige heilloze ontwikkeling in niet-orthodoxe richting. Op verjaardagspartijen zal het dikwijls te horen zijn geweest. "Het begint met een gezang, maar waar kom je straks uit?"


    •  Verening voor Evangelisatie
      • Fase 1: 1948 - 1956

        Het gebeurde op 23 juli 1948. In een vergadering in Ede waren 33 hervormde gemeenteleden bijeen.
        Opnieuw hadden zij vernomen dat besprekingen met ambtsdragers van hun kerk geen resultaat hadden opgeleverd. Hun teleurstelling was zo groot, dat ze geen heil meer zagen in de door Kerkelijk Leven begane weg. Men was van oordeel nu tot daden te moeten overgaan. Een nieuwe vereniging werd opgericht, die zich zou inzetten voor een eigen (hervormde) geloofsgemeenschap. Een mooie naam werd bedacht: "Nederlandse Hervormde Vereniging voor Evangelisatie".
        Als we de statuten van deze nieuwe vereniging vergelijken met die van Kerkelijk Leven, valt de grote overeenkomst op. Beide in feite dezelfde, orthodoxe grondslag. Op het punt echter van die ene bijzin van tien woorden verschilden ze volledig. De nieuwe vereniging had als eerste taak 'het organiseren van Godsdienstoefeningen op zondagmorgen'.
        Al op 17 oktober 1948 kon de eerste kerkdienst worden gehouden. De concertzaal van Buitenlust aan de Stationsweg bood onderdak, maar ze was al spoedig te klein voor de enkele honderden kerkgangers, onder wie een groot aantal jongeren.

        We komen nog even terug op de naam van de Vereniging voor Evangelisatie. Het woord 'evangelisatie' heeft hier wellicht een dubbele bodem. In het kerkelijk jargon van die dagen sprak men van een evangelisatie, wanneer een groep gemeenteleden buiten de kerkenraad om overging tot het houden van kerkdiensten en het bieden van pastorale en diaconale zorg, In de jaren na de Tweede Wereldoorlog kwam het in veel gemeenten behorend tot de Gereformeerde Bond, tot de oprichting van een (confessionele) evangelisatie. Ede liep in dit opzicht bijna vooraan.
        Evangelisatie betekent echter ook: het Evangelie trachten door te geven aan hen die van geloof en kerk zijn afgedwaald of er nooit bij zijn opgevoed. Welnu, hierin zag de Vereniging voor Evangelisatie een taak! Ze wilde voorkomen dat mensen, die zich in de 'moeder-gemeente' niet thuis voelden, voorgoed zouden afhaken.

        De periode 1948-1956, waarin het kerkenwerk geheel uiting van de Vereniging voor Evangelisatie, mag in zekere zin een bloeitijd worden genoemd. Velen sloten zich aan als lid, de inkomsten waren zodanig dat het bestuur voor eredienst, catechese en pastorale bezoeken een emeritus-predikant kon benoemen. Op 26 augustus 1953 kon zelfs een nieuw kerkgebouw in gebruik worden genomen.
        Met de burgerlijke en juridische status van de Vereniging zat het ook wel goed. Op de Statuten werd koninklijke goedkeuring verkregen, een Huishoudelijk Reglement werd opgesteld. Kortom, alles verliep in goede orde, volgens de regels van de Nederlandse regelgeving.
        In kerkelijk opzicht had echter de Vereniging geen enkele status. Voor de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk bestond ze niet eens. Er was geen kerkenraad, waaraan de kerkorde het organiseren en leiden van kerkdiensten had toevertrouwd. De zondagse samenkomsten, belegd door de Vereniging, hadden - vanuit het kerkrecht bezien - slechts het karakter van 'spreken  van een stichtelijk woord'. Er mocht zo'n bijeenkomst  geen viering van doop of avondmaal plaatsvinden, Dit gold ook voor het afleggen van openbare belijdenis en voor kerkelijke huwelijksbevestigingen.
        Voor al deze zaken moesten gemeenteleden gastvrijheid zoeken en vinden bij de buren, Hervormde Gemeenten in Apeldoorn of Wageningen. Eerst moest men echter beleefd toestemming vragen aan de kerkenraad van de 'moedergemeente'. Soms maakte deze bezwaar, met alle verbittering die eruit kon voortvloeien.
        Twaalf jaar heeft de Taborgemeente volgens de kerkelijke regels geen heilig avondmaal mogen vieren. Vanuit de gemeente werd de druk echter zo groot, dat het bestuur meende op dit punt aan de kerkorden ongehoorzaam te moeten zijn.



    •  Noodgemeente
      • Fase 2: 1957-1964

        Toen in ons land het aantal 'evangelisaties' zich almaar uitbreidde, zag de Synode zich genoodzaakt een noodmaatregel te nemen, net op of over het randje van het kerkrecht. Namelijk het instellen van 'noodgemeenten'. Zo werden ze althans al spoedig genoemd.
        Het betekende dat de Vereniging voor Evangelisatie drie ambtsdragers kreeg, twee ouderlingen en een diaken. Zij werden verkozen en bevestigd onder verantwoordelijkheid van de Provinciale Kerkvergadering (PKV) in Arnhem. Aan dit drietal werd een diaken uit Oosterbeek toegevoegd. Op deze manier was er toch een soort kerkenraad, die echter verantwoording schuldig bleef aan de PKV.
        Doordat nu een minimum aan ambtsdragers aanwezig was in de kerkdienst, was er sprake van een officiële eredienst. Hierin mochten nu ook doop en avondmaal, openbare geloofsbelijdenis en kerkelijke huwelijksbevestiging plaatsvinden. De trektochten naar Wageningen en Apeldoorn waren voorbij.
        Het leek mooi opgelost, maar de pijn bleef. De gedoopte kinderen, de nieuwe lidmaten en desbetreffende bruidsparen moesten namelijk worden ingeschreven in de registers van de Hervormde Gemeente ter plaatse. Zoals te verwachten was, gaf dit nogal eens moeilijkheden.
        Kortom, de noodvoorziening van de Synode betekende allerminst, dat Ede een tweede zelfstandige Hervormde Gemeente had gekregen.
        Integendeel, in een synode nota uit 1964 wordt uitdrukkelijk gesteld, adt de naam 'noodgemeente' ten onrechte werd gebruikt. Er was geen sprake van een volwaardige, kerkelijke (wijk)gemeente, maar alleen van een noodmaatregel ten behoeve van het pastoraat.
    •  Buitengewone wijkgemeente in wording
      • Fase 3: 1965 - 1984

        Als ‘noodgemeente’ te moeten leven en werken bleek ver van ideaal te zijn. In de vergaderingen van
        de Synode regende het klachten. Alleen al het feit dat in de snel groeiende Taborgemeente slechts
        twee ouderlingen werkzaam mochten zijn, wekte onbegrip en ongenoegen bij gemeenteleden. Op 31
        december 1964 liep de termijn voor deze omstreden regeling af. En zie, een dag later was er al een
        nieuwe naam voor een nieuwe kerkelijke status! De Taborgemeenschap heette nu: buitengewone
        wijkgemeente
        in wording.
        Allereerst een wijkgemeente, een volwaardig deel van de plaatselijke Hervormde Gemeente.
        Einde lijk was het doel bereikt: een eigen, erkende plaats in de kerk, onder leiding van een door de
        gemeente zelf gekozen kerkenraad!
        Het buitengewone van deze wijkgemeente had te maken met de manier van toetreding. Tot een
        ‘gewone gemeente of wijkgemeente behoorde men doordat men aldaar woonde. Dit geografisch
        uitgangspunt werd bij een buitengewone wijkgemeente losgelaten. Men werd er lid van door een eigen,
        bewuste keuze.
        De woorden in wording, die aan de derde naam werden toegevoegd, geven uitdrukking aan
        enige hoop. Het was de verwachting dat in een Hervormde Gemeente de ‘gewone’ wijkgemeenten
        samen met de ‘buitengewone’ wijkgemeenten nog eens een echte geloofsgemeenschap zouden
        worden, waar men elkaar aanvaardt en gezamenlijk het goede zoekt voor heel de centrale gemeente.
        De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat van die hoop in Ede weinig in vervulling is gegaan. Elders in

        Nederland was het trouwens niet anders.
    •  Deelgemeente
      • fase 4: 1985-30 april 2004

        In 1985 bedacht de Synode nog een andere naam voor modalitaire (wijk)gemeenten. Nu werden ze deelgemeenten genoemd. Niets 'buitengewoons' meer. Minderheden binnen een Hervormde Gemeente, zo was toen de visie, zijn gewoon deel van die gemeente. Met dezelfde rechten en plichten. Ook het recht op een stukje eigenheid in de kerkelijke organisatie.
        Deze vierde periode (1985-2004) uit de historie van de Taborgemeente wordt gekenmerkt door het proces Samen op Weg
        , dat zou uitlopen op de vereniging van drie kerken tot de Protestantse Kerk in Nederland. Ook toen volgden twee delen van hervormd Ede ieder een eigen koers. De 'moedergemeente' met acht wijkgemeenten begeerde de voorgestelde kerkhereniging niet, maar bleef in 2004 wel op haar plaats in de herenigde kerk. Deelgemeente Tabor begroette met blijdschap het streven Samen op Weg.
    •  Protestants gemeente
      • Fase 5: 1 mei 2004 - heden

        Hoewel de vele fusie formaliteiten nog niet geheel achter de rug zijn, prijkte deze vijfde naam al boven menig stuk van de Taborgemeente. Er is echter wel verschil in tempo en reikwijdte.
        In wijkgemeente 1 (Centrum) leek het te komen tot een samengaan met de gereformeerde wijkgemeente Noord en de Evangelische-Lutherse Gemeente. Men had er al een aardige naam voor bedacht: LUTANO. Op zondag was er een reeds sprake van 'samenwonen' in één kerkgebouw. Helaas, het ging niet door! LU en NO gingen hun weg en TA zit weer alleen in een niet al te volle Taborkerk.
        Wijkgemeente 2 (Veldhuizen en Rietkampen) daarentegen trekt al jaren samen op met gereformeerde medegelovigen uit dit gebied. De wijkkerk De Open Hof wordt druk bezocht, ook door de jongere generatie. In en rond het fraaie kerkelijk centrum Emmaüs werken zelfs geloofsgemeenschappen samen. Ook rooms-katholieken en leden van de Vrijzinnige Geloofsmeenschap NPB doen mee. 
    •  Een slapende vereniging
      • Toen in 1965 de Taborgemeente een voluit kerkelijke status ontving, werd er een 'college van kerkvoogden' verkozen, door de goegemeente meestal 'de kerkvoogdij' genoemd. Overeenkomstig de kerkorde voerden deze ouderlingen-kerkvoogd het beheer over alle kerkelijke goederen, gelden en gebouwen. Het was te verwachten geweest, dat de Vereniging voor Evangelisatie haar bezittingen aan deze kerkvoogdij had overgedragen en vervolgens zichzelf had opgeheven. Het doel, waartoe ze was opgericht was immers bereikt. Zo gebeurde het ook elders, bijvoorbeeld in de Maranthakerk in Lunteren.
        In Ede liep het anders. De uit 1948 stammende Vereniging - eigenares van het kerkgebouw, een pastorie en een fietsenrek - bleef na 1 januari 1965 nog 42 jaar bestaan. Van overdracht van goederen werd in al die jaren geen werk gemaakt. Wel werden deze bezittingen (tegen vergoeding van rente en kosten) ten gebruike gegeven aan de kerkelijke gemeente, maar op papier bleven het eigendommen van de Vereniging voor Evangelisatie te Ede.
        In de praktijk merkte men er weinig van. In het genoemde tijdperk vergaderde de Vereniging slecht één of twee keer, voor wijziging van de Statuten. Verder bracht ze haar tijd slapende door, terwijl het college van kerkvoogden als een soort 'bewindvoerder' alle beslissingen over de kerkelijke goederen nam en uitvoerde, zonder de eigenares iets te kunnen vragen. Zij sliep immers......
        Wanneer over haar eigendommen iets notarieel moest worden vastgelegd, was de gang van zaken als volgt: Eerst vond besluitvorming plaats in de kerkvoogdij-vergadering. Vervolgens belden een paar kerkvoogden aan bij de notaris, zetten daar even de pet op van bestuurslid van de Vereniging, tekenden...en gingen weer als kerkvoogd huiswaarts.
        Na een winterslaap van 42 werd de Vereniging wreed gewekt met de mededeling dat men haar wilde opheffen. Daarvoor was echter een vergadering vereist, waarin minimaal tweederde deel van alle leden aanwezig was.
        Toen pas werd het echt moeilijk! Niemand wist wie er nog lid was. Ledenlijsten waren blijkbaar niet bijgehouden, contributies al die jaren niet meer geïnd. Er restte de kerkenraad weinig anders dan een een oproep te plaatsen in het kerkblad, een weekblad en een huis-aan-huis-blad. Een verzoek in de zin van: "Wie ieder zich melden doe zich meent te herinneren ooit lid te zijn geweest". Het resultaat was alle moed benemend. Slecht één persoon reageerde. En laat dat ene lid verhinderd zijn om de opheffingsvergadering bij te wonen! De presentatielijst was aanwezig, maar werd door geen enkel 'gewoon' lid getekend.
        Gelukkig boden de Statuten uitkomst. Daarin was jaren geleden bepaald, dat de ambtsdragers 'buitengewone' leden waren. Dat kwam nu goed van pas, want kerkenraadsleden waren die avond - 21 man en vrouw sterk- wel komen opdagen. Zij hebben op woensdag 27 november 2006 eenstemmig de Vereniging voor Evangelisatie opgeheven. Met dank voor de bewezen dienst.
        Twee dagen later werden ten overstaan van een notaris de bezittingen overgedragen aan de kerkvoogdij van de Taborgemeente. In de notariële akten wordt genoemd: de Taborkerk en Ons Huis en een pastrie. Een ondeugende vraag laat zich niet onderdrukken. Waar is de fietsenstalling gebleven, die in 1965 werd gerekend onder de bezittingen van de Vereniging? Wordt er heden ten dage naar de Taborkerk niet meer gefietst?



    •  TABOR
      • Bovenstaand werden vijf namen genoemd en nader verklaard. Vijf soortnamen, waarin de vijf fasen van ontwikkeling van de gemeente werden getekend. Er is echter nog een zesde naam. Een eigennaam: TABOR. (In de begin tijd ook vaak geschreven als Thabor)
        De Tabor is een hoge, zeer steile berg in Israël, 9 kilometer ten zuidoosten van Nazaret. Wat heeft meer dan zestig jaar geleden mensen bezield om een jonge kerkgemeenschap en een kerkgebouw naar deze berg te noemen? Enig navraag doen heeft me geleerd dat zelfs onder trouw meelevende Tabor-leden de betekenis van deze niet meer bekend is.
        De eerste voorganger, de emeratus-predikant ds. P. G. de Vey Mestdagh, verschaft ons duidelijkheid. In het septembernummer 1953 van Ons Kringblad, het maandblad van de Vereniging, schrijft hij over de ingebruikname van de Taborkerk. In de door hem geleide kerkdienst - 'een inwijdingsdienst' genoemd - preekte hij over Mattheüs 17 vers 8.
        We lezen daar hoe Jezus op een hoge berg - de Tabor, zegt een heel oude overlevering - in gesprek was  met Mozes en Elia. Deze twee profeten uit het Oude Testament waren er niet meer bij toen Jezus van de berg afdaalde. Van zijn discipelen staat dan geschreven in vers 8: "En hunne ogen opheffende zagen zij niemand, dan Jezus alleen" (Statenvertaling). Het thema van de preek was "De les van Thabor".
        Terugziend op deze 'wijdingsdienst' op 26 augustus 1953 in het nieuwe kerkgebouw eindigt dominee De Vey Mestdagh zijn bijdrage in het kringblad met de belangrijke volzin:

               Dààrom heeft onze mooie nieuwe kerk ook Thaborkerk, omdat de gemeente die daar samenkomt niemand    wil zien dan Jezus alleen"

        "Jezus alleen". Dat is de boodschap die de werkers van het eerste uur, ruim zestig jaar geleden, in hun naamgeving aan de volgende generaties wilden doorgeven.
        Sinds ik dit weet heeft de naam TABOR voor mij een nieuwe klank gekregen.

        Bronnen
        - Documentatie afkomstig uit de archieven van de Taborgemeente
        - J.H. van de Bank, Kudde in veelvoud, Ede 1986, 189-190
        - T. van de Lagemaat, De stille evolutie, Barneveld 2013, 234-242
        - T. van't Veld, De kerk als moeder, deel 1, Ede 2000, 67-100
  •  Historie van het archief en verantwoording inventaris
    •  Samenwerking
      • Ongeveer 17 jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de archieven van de Hervormde
        Taborgemeente. Als toekomstig auteur van De kerk als moeder, dat in vier delen negen
        kerkgemeenschappen in Ede beschrijft, mocht ik voor mijn onderzoek ook heel het Tabor-materiaal
        ‘doorspitten’. Ik verwonderde me toen over de goede staat van dit archief. Alles was keurig gesorteerd,
        op elke kastdeur een inventarislijst, enzovoort. Dit alles vooral door de accuratesse van toenmalige
        archiefbeheerder, Gerrit Jansen. Ere wie ere toekomt!
        Over de archiefruimte viel minder te roemen. Een kamertje onder het dak van de Taborkerk,
        zonder goede verlichting, zonder verwarming, Het was er zo koud, dat zelfs een dikke winterjas werken
        in deze ruimte niet mogelijk maakte. Verder ontbrak, meen ik me te herinneren, elke vorm van
        brandpreventie.
        In augustus 2011 bezocht ik het archief opnieuw. Nu als classicaal archiefconsulent, om
        kerkenraad en kerkvoogdij te adviseren inzake archivering. Het ‘kamertje onder het dak ‘ was er nog
        steeds. Nu was het er snikheet, zodat we al gauw moesten vluchten naar een koeler vertrek.
        Bovendien was de archiefruimte veel te klein geworden. Het grote aantal kasten liet bijna geen looppad
        meer vrij. De ordening van de stukken liet zien dat gezondheids-problemen de archiefbeheerder parten
        hadden gespeeld.
        Kortom, van Tabor-zijde stond men open voor een advies. Het resulteerde in een tweede
        gesprek, waarbij ook de gemeentearchivaris aanwezig was. Het besluit tot in-bewaring-geving bij het
        gemeentearchief volgde al spoedig, evenals een verzoek of ik als inventarisator wilde optreden. Twee
        harde werkers uit de kerkenraad de heren Theo Boessenkool en Jaap de Zeeuw, verrichtten belangrijk
        ‘voorwerk’. Zij zorgden voor een eerste selectie van het archiefmateriaal, ontdeden het van alle
        paperclips en legden stukken op datum. De goede samenwerking heeft een positief resultaat
        opgeleverd.

    •  Omvang van het archief
      • Tijdens het inventariseren heb ik de Taborgemeente leren kennen als een schrijfgraag en 'bewaarderig' volkje. Ondanks het historisch niet-belangrijk materiaal dat - uitgeselecteerd door de beide Tabormedewerkers - nooit het gemeentearchief heeft gezien, arriveerden aldaar toch nog 9 strekkende meter archiefdozen met inhoud. Bij mijn inventarisatie kreeg hiervan nog eens bijna 2 meter de beoordeling "voorstel: vernietigen" mee, zodat er voor het nageslacht 50 dozen (= 7 meter) vol archivalia bewaard blijven.
    •  Compleetheid
      • De archieven van de colleges van kerkenraad en kerkvoogdij vertonen weinig hiaten. De doop-, belijdenis- en trouwboeken zijn goed bijgehouden. Opmerkelijk is, dat aan fotomateriaal niets in het archief is bewaard.
        Het archief van de diaconie is minder compleet. Bij het inventariseren werden einge stukken gemist. Bovendien is het, vergeleken met dat van de kerkenraad em kerkvoogdij, slecht een kleine verzameling.
        Het omvat slechts 45 archiefnummers, terwijl de ouderlingen-kerkvoogd- met hun aantal van 204 - bij de archiefvorming meer dan viermaal de diakenen passeerden. Vanwaar deze beperktheid? Is deze misschien veroorzaakt door het feit dat diakenen nu eenmaal meer tot de 'doeners' dan tot de 'schrijvers' gerekend moeten worden?
    •  Vindplaatsen
      • Een kleine moeilijkheid betrof het feit dat de Vereniging voor Evangelisatie na 1965 nog tientallen jaren bleef voortbestaan, eigenares was van kerkelijke goederen, maar geen activiteit meer ontwikkelde. Het beheer van haar goederen werd uitgeoefend door de kerkvoogdij. Een onderzoeker, op zoek naar gegevens over de Vereniging wordt geadviseerd ook relevante stukken uit het archief van de kerkvoogdij in te zien.
        Enkele stukken betreffende Kerkelijk Leven, een vereniging van lidmaten binnen de Hervormde Gemeente te Ede, maar informatief ten aanzien van de beginsituatie van de Taborgemeente, zijn als GEDEPONEERD ARCHIEF opgenomen onder de inventarisnummers 507 t/m 509.
    •  Openbaarheid
      • Krachtens een besluit van de Algemene Kerkenraad zijn op geen van de inventarisnummers beperkingen van de openbaarheid van toepassing

        Ede, september 2014
        T. van 't Veld
  • Hele toegang (220 Inventaris van de archieven van de Hervormde Taborgemeente te Ede (1921) 1948-2009)